Ouders

Ik zit rond het middaguur aan de eettafel met kleinzoon Liam (6) en kleindochter Elin (4). Eerder die dag heeft Liam bij het naar school brengen zijn zus al uitgelegd dat het een korte dag is vandaag, want het is opadag. Dus woensdag, dus korte dag.
‘Snap je?’

Dezelfde reden, rond één uur thuis en dus behoefte aan snel wat eten, waarom we nu met zijn drieën aan de eettafel zitten met een boterham met notenpasta voor Liam, ‘dat is die donkere, opa’, en een boterham met witte pasta, aanwijzing uit dezelfde bron, voor Elin.

En dan komt zomaar opeens de vraag. Van Elin.
‘Waar heb je eigenlijk ouders voor nodig?’
Ze lijkt er zelf wat beduusd van, maar geeft dan toch vrijwel meteen ook het antwoord.
‘Anders kunnen ze je niet boren’, concludeert ze, in dezelfde mooie werkwoordsvorm die ik me nog van haar eigen mama herinner.
‘En als ze geen kinderen meer boren, dan sterven we uit.’

Okeee, denk ik.
‘Maar ouders zorgen ook voor je’, probeer ik tussen de boterhammen met bruine en witte pasta iets aan de gedachtegang toe te voegen.
Elin kijkt me stralend aan.
‘Ja!’, zegt ze.

Liam is voornamelijk druk met de combinatie boterham eten en spelletjes spelen op mijn telefoon, maar kijkt toch even met een lichte schouderophaal richting onze conversatie.
‘Volgens mij heb je ze nergens voor nodig’, besluit hij.