Water

Het water heeft de kleur van verweerde dakgoten, met venijnige schuimkuifjes van een stevige wind uit het noordwesten. Ik rijd met de bakfiets over de kade van Dordrecht. Voor ons de onafzienbare watervlakte waar Beneden Merwede, Oude Maas en De Noord aan de rand van de binnenstad samenkomen. Bootjes kijken, een geliefd vermaak van opa en kleindochter Sophie (2), die vanaf haar bankje wat er in haar blikveld komt telkens op peinzende toon benoemt.
‘Water… Boot… Boot…’

Vanwege een schoolbaaldag is haar grote zus Elin (4) er dit keer ook bij. En die vindt het allemaal een flink stuk minder.
‘Het water is groot’, zegt ze, met een wiebelig stemmetje.
‘Ja, mooi hè?’, probeer ik. Ik stuur ondertussen een beetje naar het midden van de kade. De metershoge kanten met als enige tuimelbescherming hier en daar een verdwaalde dukdalf, geven mij altijd nare visioenen van een fataal omkiepende bakfiets, onafwendbaar onderweg naar modderige dieptes. Elin blijkbaar ook.
‘Als we erin rijden, moet jij zwemmen’, zegt ze vanuit de bak voor me.
‘Dat gaat we niet doen hoor’, probeer ik haar gerust te stellen.
‘En de bakfiets naar boven tillen’, volgt zij nog even haar eigen gedachtes.
‘Boot… Water…’, doet zusje Sophie ondertussen.
‘En ons redden’, stapelt Elin de problemen nog wat hoger op. ‘Want in het water kun je geen lucht krijgen, hè opa?’
‘Nee, klopt’, zeg ik.
‘En geen eten.’
‘Eh nee…’
‘Alleen water, maar dat is vies.’
‘Ja, nee. Zeker.’
‘En dan ga je dood’, rondt ze de beeldenreeks in haar hoofd nuchter constaterend af.
‘Ik zal heel goed opletten, hoor Elin’, zeg ik haar en stuur nog wat verder van de walkant weg.

Zij houdt ondertussen de grijze golven naast ons scherp in de gaten en neemt dan een besluit.
‘Op mijn roze fietsje ga ik hier écht niet naartoe.’
‘Groot gelijk’, zeg ik en draai van de kade af de veilig omsloten Voorstraat in. Toch opgelucht.