Zwerven

We hadden Jeroen, een tijdje terug alweer. Jeroen sliep regelmatig bij ons in de hal waar de brievenbussen hangen, al was dat volgens hem gewoon even zijn ogen dicht doen. Slapen deed hij naar eigen overtuiging in het kamertje dat hij onderhuurde van de twee engelen die de gazons in de hemel bijhouden, met als tegenprestatie van zijn kant het regelmatig knippen van de randjes.

Daarna, of gedeeltelijk gelijktijdig, hadden we Schuddekopje, beneden bij ons op het bankje voor de deur. Alles wat hij overdag aan eten, drinken en roken nodig had, haalde hij uit de prullenbakken die de tramhaltes flankeren. De rest van de tijd staarde hij voor zich uit en schudde zijn hoofd. Niet als evaluatie van zijn omstandigheden, maar als uit de bocht gevlogen mechaniekje dat de zeggenschap over zijn hoofd had overgenomen, vrees ik.

En we hadden, of hebben nog steeds, de twee Biermannen. Uur na uur zitten ze zonder commentaar op het leven of elkaar knie aan knie op het bankje in de tramhalte en kantelen het ene na het andere halveliterblikje achterover. De enige onderbreking op dit zwijgend uitgevoerde ritueel is van tijd tot tijd het voorrijden van een politieauto en de korte conversatie die zij door het neergedaalde autoraampje als bij een McDonalds drive in met de agenten voeren. De grootste van de twee schuifelt vervolgens met de twee blikjes van dat moment naar de dichtstbijzijnde prullenbak, laat ze daar voorzichtig in zakken, om ze er met een geroutineerd gebaar weer uit te tillen zodra de patrouillewagen de hoek om is.

Maar nu is er de Reiziger. Een mysterie. Schuddekopje en de Biermannen hadden zo op het oog behalve de kleren die ze droegen helemaal niets. Jeroen sleepte een vettige slaapzak met zich mee en reageerde een tikje beledigd op mijn weigering om die bij ons in de hal te mogen stallen. Travelling light, één van de weinige voordelen van het daklozenbestaan lijkt me. Jeroen en de andere mannen gaan ervoor, de Reiziger duidelijk niet. Het begint al met zijn kleding, waarbij hij de filosofie van laagje voor laagje tamelijk extreem heeft doorgezet. De zweetdruppels die dat oplevert, krijgen ruimschoots gezelschap bij zijn dagelijks terugkerende worsteling met twee niet alleen oversized maar zo te zien ook overbeladen koffers die hij op tegenspartelende wieltjes achter zich aantrekt, bij elke stoeprand of tramrails effectief tegengewerkt door een loodzware schoudertas die bij iedere onverwachte beweging in fatale obstructie langs zijn arm naar beneden glijdt. Een getergde toerist onderweg naar niks.

Hij heeft een getekend gezicht en ontwijkende ogen, zoals eigenlijk al die mannen van de straat. Hij houdt woedende pleidooien tegen niemand in het bijzonder. Dat doen er ook meer. Maar bij hem kan ik me er iets bij voorstellen. Wat dan, gek genoeg, toch weer een soort lichtpuntje is.