Woorden

Zoals mijn dementerende buurman op een overzichtelijke vraag als ‘hoe is het?’ na lang rondzoeken in zijn hoofd alleen nog kan melden dat hij ‘het niet meer op tafel kan leggen’, zo leert kleindochter Sophie (vrijwel 2) er bijna elk uur wel woorden bij. Tijdens het fietsen door het park bijvoorbeeld.
‘Meeuwen’, wijs ik haar aan.
‘Jaaaa’, zegt ze, met een toon die peinzend begint en dan blij verrast omhoog gaat.
‘Eenden.’
‘Jaaaa.’
‘Zwanen.’
‘Jaaaa…’
Waarop ze zich opeens in de bakfiets naar mij omdraait, twee handjes opgetogen in de lucht steekt en ‘vógels!’ roept.
‘Jaaaa!’, is het nu mijn beurt.

En ze weet nog veel meer.
Zoals ‘boom, boom, boom, boom’, eenmaal het park uit gevolgd door ‘auto-en, auto-en, auto-en, auto-en’ in creatief meervoud, terwijl ze met haar vinger, als een magazijnmeester op balansdag, de wereld in kaart brengt. En onder controle, wat ik vooral merk als ik op mijn vaste opadag ‘s morgens binnenkom. Tot voor kort het moment dat ze toch altijd even met een snikje naar mama toeliep, wetend dat de komst van die man met die bril om zijn nek steevast betekent dat de zo vertrouwde moeder er vandoor gaat. Maar nu staat ze me al in de gang op te wachten met een luid ‘opaaaa!’, gevolgd door ‘Cake, Sophie! Koffie, opa!’, voor geval ik ons vaste ochtendritueel vergeten mocht zijn.

Ze laat ook zelf weten wanneer ze honger heeft, ‘eten!’, een schone luier wil, ‘pies!’, of met een ‘Opa kom!’ en een klopje op de bank mijn gezelschap bij juf Roos van Youtube verlangt.
‘Blijf kijken!’, zegt ze als ik aan haar oproep gehoor geef en aanschuif om samen te luisteren naar beren die smeren konden.

Ze kijkt me aan en trekt zoals alleen zij dat kan haar neusje samen in een blije lach. Tevreden over een meisje dat praten kan.
‘Leuk!’, zegt ze.