Gevaar

Het is nog net vakantie en ik fiets met Liam (6), Elin (net 4) en Sophie (bijna 2) in de bakfiets door de stad, op weg naar onze vaste limonade-met-cake-plek. Sophie zwaait ruimhartig, ‘doei-doei!’, naar iedereen die we tegenkomen. Elin vertelt zonder te kijken of er wel iemand luistert dat ze voor het eerst naar school gaan, een gebeurtenis die volgende week onherroepelijk op het programma staat, leuk vindt maar óók spannend. ‘Kan je ook niet gaan, opa?’ En Liam houdt, vermoedelijk vanuit een terecht superioriteitsgevoel op dat gebied, in de gaten of ik wel de goede route rijd. Ondertussen onderwijst hij me in zijn eigen vers verworven verkeersinzichten, zoals haaientanden op de weg en een vuilniswagen die onder heftig gebliep achteruit de straat in komt.

Tot hij opeens zijn hoofd uit de bakfiets steekt om mijn volle aandacht te krijgen.
‘Fiets hier maar even snel door’, zegt hij.
We rijden door een straat waar woningen die wel een tikkie verf kunnen gebruiken worden afgewisseld met winkels en bedrijfsruimtes die het in de randen van de binnenstad nog best wel even volhouden.
‘Waarom dan?’, vraag ik.
Hij wijst naar een pand met kozijnen van verweerd aluminium en ramen die ondoorzichtig zijn gemaakt, op het logo van een landelijke mondzorgketen na. Ernaast is een breed tegelpad, zo te zien naar een parkeerplek aan de achterkant. Liam kijkt eerst naar mij en dan naar de inrit waar tegels en onkruid elkaar al enige tijd gezelschap lijken te houden.

‘Het is een VERLATEN PLEK’, zegt hij, met veel nadruk op wat klinkt als een bijna onzegbaar gevaar.
‘Ah’, zeg ik.
‘Op verlaten plekken doen ze altijd rare dingen’, legt hij me zijn stad uit. ‘Bier drinken’, verduidelijkt hij verder. ‘En dingen in je mond spuiten waar je heel ziek van wordt.’
‘Okeee’, zeg ik en bedenk hoe ik zelf vroeger een steegje vlak bij ons huis altijd op hoge rensnelheid en met kloppend hart passeerde om te ontkomen aan het kwaad dat zich daar zeker weten ophield.
‘Ga nou maar’, zegt hij.
Geen paniek. Wel een dringend advies.