Auto’s

‘Hij ziet aan het nummerbord welke auto’s nieuw zijn.’
Mijn moeder liet deze constatering over mijn vader, een jaar of tien geleden bij hen aan de keukentafel, vergezeld gaan van een nauwelijks merkbaar schouderophalen en iets beter merkbaar omhoog draaien van haar ogen. Niet nieuw voor mij, want een groot deel van hun tijd besteedden mijn ouders toen ze nog leefden aan elkaars gedrag, liefst in gezelschap van derden, wegen en te licht bevinden. Een conclusie die met die derde, ik dus in dit geval, gedeeld werd met zo’n schouderophaal, schampere oogopslag, zachtjes gemompeld ‘nou ja..’ of, in het geval van mijn vader de waterdichte constatering ‘óf je bent gek óf je doet alsof’.

Ik moest er aan denken bij het nieuws dat onze kentekens na zo’n vijf jaar XX-999-X te zijn geweest, per vandaag veranderen in X-999-XX. Klein nieuws voor iemand als mijn moeder, die waarschijnlijk haar toevlucht zou nemen tot gegiechel wanneer je haar onomwonden zou vragen waar zo’n kentekenplaat nou eigenlijk zit. Maar groot nieuws voor mijn vader die bij alle vorige rondes nieuwe auto’s direct keurend in zijn blikveld had.
‘Zoveel meteen hè?’ zei hij daarover tegen mij, op zoek naar erkenning voor zijn wereldbeeld.
‘Hij weet zelfs het nummer van onze eerste auto nog’, probeerde mijn moeder ondertussen haar negatieve diagnose van zijn geestelijke vermogens verder in te kleuren.

Het was de tijd dat mijn grote broer en ik bij wijze van recreatie op zondagmiddag langs de Gooise Weg stonden, urenlang, alleen maar om naar voorbijrijdende auto’s te kijken. In onze straat, in veel haast kort na de oorlog aangelegd met een wegdek van betonplaten waar je met je step kedoink kedoink over heen ging, stonden er welgeteld drie. Een Morris Minor met de kleur en eigenlijk ook wel de vorm van een oversized muis. Een donkerrode Volkswagen Karmann Ghia, met niet één maar twéé glanzend gepoetste uitlaten, volgens mijn broer en mij de mooiste auto ooit gemaakt. En onze, ónze Volkswagen Kever. Oud, maar dat zagen we niet. Goúdkleurig. Dat zagen we!
‘XK-61-61’, mompelde ik daar aan tafel, voor ik er erg in had.

Over het gezicht van mijn vader trok een bijna hemelse glimlach, vergezeld van een zucht. Mijn moeder liet zich in een stoel zakken, alsof staan opeens niet meer lukte, en staarde door het keukenraam naar iets dat zij alleen zag.

Het NOS-Journaal brengt het kentekennieuws deze keer wat mij betreft voor niemand. Want zij zijn er niet meer.