Zorgen

‘Waarom doen mensen dat nou?’
Ik ben met kleinzoon Liam (6) een dagje in zijn vakantie op stap en al bij het binnenlopen van het station beginnen zijn zorgen om hoe de wereld buiten school en eigen straat in elkaar steekt. Zoals iemand die vlakbij de ingang van de lift waarmee hij naar het perron wil een stinkende gele plas heeft achtergelaten.
‘Ze hebben thuis toch een WC…’, mompelt hij hoofdschuddend als we dan toch maar gewoon de trap nemen.

Ook de trage wifi in de trein, ‘kun jij dat niet repareren, opa?’, rotzooi náást het afvalbakje en het knap snel leeglopen van de batterij van mijn oude telefoon waar nu zijn spelletjes opstaan, ‘zelfs als ik niks doe!’, kunnen rekenen op in wijze vertwijfeling opgetrokken schouders en gelaten neervallen van zijn armen.
‘Waaróm toch?’
Evenals de euro die we eerst bij de mevrouw achter de kassa van het Brabants Natuurmuseum moeten pinnen, vervolgens in het slot van het uitgekozen kluisje laten glijden om hem dan na gebruik gewoon weer terug te krijgen. Naar het waarom van al deze vreemde dwalingen vraagt hij tegen die tijd al niet meer, hij beperkt zich tot een meewarige glimlach.

Eenmaal in het museum is dat anders. Samen doen we zo’n beetje alle opdrachten, van de ontdekking waarom kikkers zo ver kunnen springen tot het zwarte brilletje waarmee we zelf kunnen ervaren wat een mol ziet.
‘Niks’, concludeert hij en bergt de proef weer netjes terug in het bijbehorende tasje.
Om daarna alle proeven nog een keer langs te gaan, met een instemmende knik wanneer de uitkomst gelijk blijkt.

Tot hij me meetrekt naar een volgend zaaltje. Hij is hier eerder geweest en wijst mij de weg naar een schommelend bankje, opgesteld voor een beeldscherm met de uitnodiging om mee terug te varen in de tijd.
‘Dit ga je niet leuk vinden’, waarschuwt hij me met een ernstig gezicht terwijl hij geroutineerd op de knop drukt om de film te starten.
We varen door een animatie in soft focus van Brabantse rivieren en beken, kronkelend door het landschap van ooit. Vóór de ruilverkaveling, vóór de kanaliseringen, vóór de industrialisatie. Wanneer die laatste aan de oevers oprijst in de vorm van grauwe gebouwen en forse afvoerpijpen waaruit blauwachtig gif naar het romantisch kabbelende water stroomt, pakt hij mijn hand vast.
‘Een open riool’, fluistert hij. Vrijwel op hetzelfde moment dat de voice over, ondersteund door dramatisch aangezette pianotoetsen, tot dezelfde conclusie komt.

We dobberen in toenemende narigheid verder over grauw water waar alleen de sombere bariton van de vertelstem ons nog gezelschap houdt. Die, na het passeren van een in protest over het water gespijkerd spandoek, tot mijn opluchting meldt dat het tij is gaan keren. Water wordt weer schoner, vissen keren terug. We zijn op de goede weg, concludeert hij.
Naast me op de bank zucht Liam.
‘Wat stond er op dat bord?’, vraag hij dan.
‘Stop de vervuiling!’, vertel ik hem.
Dan trekt hij opnieuw zijn schouders op, voor de zoveelste onbeantwoorde vraag aan de mensheid.
‘Waarom zetten ze dat dan niet gewoon wat eerder neer?’