Logica

Magisch denken. Kinderen doen eraan, dat weet ik.

Dus als ik met kleindochter Elin (3) in haar vakantie een dagje naar de dierentuin ga, moet en zal haar lievelingsknuffel ook mee. Het ding vult ruimschoots de helft van de rugzak die bedoeld was voor praktische zaken als eten, drinken en droge kleren voor je weet maar nooit. Wat haar betreft kan dat allemaal vrolijk achterblijven, behalve haar pluchen pinguïn. Die vervolgens de hele dag eenzaam achter de ritsen van mijn rugzak mag verpieteren. Want eenmaal vertrokken heeft zij het veel te druk met op de juiste tegels stappen, ‘die andere zijn lava, opa!’. Of elke vorm van terreinverhoging die we tegenkomen te beklimmen en er aan mijn hand weer af te springen. Niet logisch, allesbehalve gericht op voortbewegen, maar zo ben je telkens natuurlijk wel even heel groot.

Opa’s met hun logische blik op de wereld, zien vooral die bus van eens in het kwartier aan komen rijden en staren naar een uitgestreken pinguïngrijns op zoek naar het pakje brood voor tussen de middag.

Tot we terug zijn op het station voor de trein naar huis. Elin staat met de mooiste eenhoornballon die zich maar wensen laat, ‘deze heeft ál mijn lievelingskleuren én sterren!’, op het perron. We kijken samen naar de binnenrijdende trein en dan, vlak voor de geelblauwe intercity met een zucht tot stilstand komt, floept het zo felbegeerde roze met blauwe meisjespaardje los en dwarrelt, ‘oh nee!’, met een tergend traag boogje op de treinrails.

En op dat moment wil ik maar één ding. Die tere glittereenhoorn van knisperend ballonfolie redden van het vernietigende metaal! Peilloos verdriet van mijn kleindochter met een ware heldensprong (‘hoezo lava?’) voorkomen! We schuifelen samen langs de afgrond van volstrekt verboden gedachtes, wijzend en gebarend. Tot de onwrikbare autoriteit van de uitgestapte machinist de logica min of meer terug in mijn hoofd brengt.

Terneergeslagen zitten we even later naast elkaar in de trein. Ik denk aan de ongetwijfeld doffe plof waarmee Elins droom straks onder de intercity naar Vlissingen aan zijn einde zal komen. Zij staart uit het raam, alsof de rechtvaardiging voor het leed dat zich heeft voltrokken daar nog ergens op het perron te vinden moet zijn.
‘Zullen we het stokje ook maar weggooien?’, vraag ik en wijs op het nutteloos geworden stukje plastic waar daarnet nog een hemels glimlachend wonderpaardje aan zweefde.
‘Nee!’, zegt Elin meteen en bergt het ding, een tikje beledigd, zorgvuldig weg naast haar knuffel in mijn rugzak. ‘Die hoort bij mijn eenhoorn, opa!’