Weg

‘Kan dat nou zomaar?’
Mijn buurman kijkt me met grote, verbaasde ogen aan. Omdat hij mij als bestuursvoorzitter van de Vereniging van Eigenaren ziet als ‘de baas van de mensen hier’, staat hij de avond voor zijn verhuizing naar een verzorgingshuis bij mij voor de deur. Ik gok op het moment dat de boodschap in zijn volle omvang opeens bij hem binnen kwam. Eerder al vroeg ik hem enkele keren hoe het stond met die plannen. Maar dan lachte hij alleen maar een beetje, als iemand die de aansluiting mist maar het toch graag gezellig wil houden.

Nu niet meer.
‘Naar Rótterdám!’ Hij spuugt het woord er in al zijn verontwaardiging zowat uit.
‘Schiedam’, zeg ik.
‘Oh, jij weet hier van?’
‘Je dochter heeft het me verteld.’

Helemaal tevreden lijkt hij niet met dit antwoord dat ongetwijfeld aanvoelt als een samenzwering die wijder vertakt blijkt dan je kon bedenken. Ik loop evengoed met hem mee naar zijn woning, waar hij het me nog eens allemaal precies wil uiteenzetten.
‘Kijk’, zegt hij. ‘Je hebt één. En je hebt twéé. En je hebt dríe.’
Hij telt het vlak voor mijn gezicht op de vingers van zijn ene hand af.
‘En dan heb je dit!’
Zijn wenkbrauwen gaan vragend naar boven. Zijn armen tilt hij op, voor hij ze moedeloos in zijn schoot laat vallen.
‘Die boom!’, zegt hij en wijst naar zijn raam. ‘Die boom! En dan Rotterdám. Ze nemen je er een paar keer mee naar toe. En je zegt dit en je zegt dat. En dan hup!’

Ik denk dat ik het verhaal achter zijn zoektocht tussen de woorden wel ongeveer begrijp, maar kan helemaal niets voor hem doen. Dat zeg ik hem ook. Hij knikt.
‘Hoe vroeg ben je morgen wakker?’, vraagt hij dan.
‘Vroeg’, zeg ik.
‘Kan ik aanbellen als ze komen?’

Dat kan, natuurlijk.

Ik wacht er onwillekeurig op. Maar zie hem niet meer. Alleen een salontafeltje, dat voor even vergeten eenzaam bij zijn voordeur op de verhuizers staat te wachten.