Groot

Haar drie jaren zitten kleindochter Elin (bíjna 4) als een paar afgetrapte schoenen die nodig vervangen moeten worden, maar ondertussen ook wel weer helemaal van jou zijn. En dat is te merken.

Wanneer we door de stad fietsen bijvoorbeeld en ze vanuit de bakfiets luidkeels haar aanwezigheid kenbaar maakt.
‘Hoi roodgezichtvogels!’ naar een stel ganzen met inderdaad nogal benauwd ogende knobbels op hun kop.
En in één moeite door: ‘Dag gekke mevrouw met je gekke hond!’
Om, als ik vraag het iets terug te schroeven, met een grote grijns te besluiten: ‘Oké, dan poep ik wel op je hoofd!’

Of in de speeltuin, waar ze het voorzichtige peuterladdertje naar de glijbaan eerst al inwisselde voor zo’n slingerende touwladder en nu dat wiebelding alweer voor gezien houdt en omhoog gaat langs een heuse klimwand met noppen die nauwelijks houvast bieden. Wachten tot de glijbaan vrij is, hoort bij een overwonnen wereld. Met grote snelheden stuift ze op aarzelende kindjes af die beneden op het gladde staal zitten bij te komen van hun eigen lef. Schreeuwend, uiteraard. Remmen kan ze ook, precies op tijd met een trefzeker geplaatste sandaal tegen de zijrand van de glijbaan. Bezorgd toesnellende moeders vertelt ze met luide stem hoe groot ze is en dat ze binnenkort naar de kleuters gaat. En daarna hup langs diezelfde glijbaan terug omhoog. Te groot voor de officiële route.

Daar zie ik haar alweer naar beneden zoeven. Languit liggend, ogen gesloten, armen gevouwen op haar borst, overwinnaarslach om haar mond.
‘Opa!’, roept ze, eenmaal beneden, richting het bankje waar ik zit. ‘Ik kan al glijdend nepslapen!’