Bubbel

Eigenlijk vind ik dat veel mensen elkaar maar zo’n beetje napraten met dat gedoe over de ‘bubbel’ waar je in zou leven. Je eigen kaasstolp waar alleen tot doordringt wat snode techgiganten voor jou uit de complexe werkelijkheid hebben gefilterd. Per boosaardig ontworpen algoritme natuurlijk, waarvan ik ook nooit zo precies weet wat het nou is.

Tot gisteren. Internet lag er weer eens uit en na het gebruikelijke ritueel van opnieuw opstarten, apparaten met licht toenemend geweld uit het stopcontact rukken en tot inkeer laten komen of de computer zelf vragen het probleem op te lossen, met als antwoord een heel verhaal over standaardgateway en proxy-instellingen en de uiteindelijke conclusie dat de provider waar we al jaren tientallen euro’s per maand naar wegdragen nog nooit van ons had gehoord.

Dus die provider, Ziggo, gebeld. Waar eerst een keuzemenu me te woord stond en vervolgens een bandopname vertelde dat er een storing was die om 17.39 uur zou zijn opgelost. Waarom er met zoveel accuratesse in huis nog ooit van enige storing sprake zou hoeven zijn, was een fijne gedachte om de uren tot de geblokte vlag mee door te komen. Om, met een coulancemarge van vijf minuten, toch nog maar eens te gaan bellen waarom het probleem ook toen nog niet was opgelost.

‘Er is een storing waardoor u niet van uw diensten gebruik kunt maken. Deze storing is om 17.39 uur opgelost.’ Niet dus, maar verhaal daarover halen was onmogelijk. Datzelfde gold voor de vraag waarom die storing blijkbaar alleen ons huis had getroffen, want op geen enkele nieuwssite kwam ik er iets over tegen. Via mobiel internet zag ik inderdaad een storing als ik ons eigen adres intikte, maar boven elke andere bubbel scheen zo te zien een vrolijk Ziggo-zonnetje. Klanten waar Ziggo ongetwijfeld wél mee wilde praten, terwijl in mijn bubbel een meedogenloos bandje met ijzige stem de leugen van 17.39 uur bleef verkondigen.

Omdat ik nog steeds niet helemaal aan het concept van de afgesloten kaasstolp wilde, vroeg ik de telefoon van mijn vrouw en belde daarmee naar Ziggo. Waarmee ik dus eigenlijk bewees wat ik wilde ontkennen, maar voor die gedachte had ik nog even geen ruimte. Tot ik, na een minuutje of vijf door het keuzemenu te zijn gepingpongd (dat had ik dan toch maar mooi bereikt!), een vriendelijke stem aan de lijn kreeg. ‘Met T-Mobile, waar kan ik u mee helpen?’

Van mijn kant kwam eerst niets, gevolgd door rondtastend gestamel hoe ik in hemelsnaam bij T-Mobile terecht kan komen als ik het 0900-nummer van Ziggo heb gebeld. Simpel. Ik zat via datzelfde nummer in de bubbel van mijn vrouw, die bij T-Mobile een abonnement heeft voor haar telefoon.

Die telefoon heb ik heel gelaten, wat ik op zich best knap vind. En ik bedacht hoe dat dan vroeger ging, toen we alleen nog maar onze eigen PTT hadden. Die je natuurlijk niet kon bellen als je telefoon het niet deed. Of als je er eentje wilde aanvragen. Je fietste dan naar een uit veel baksteen en marmer opgetrokken hoofdkantoor van de afdeling Telefonie en daar ging je in de rij staan. Urenlang. Mensen brachten pakjes brood en thermosflessen koffie mee. Je sprak er met mede-getroffenen die het lot in de rij naast je had geplaatst, je buren voor een halve dag of nog wel langer. Na de uiteindelijke ontmoeting met De Ambtenaar, fietste je met het gevoel van gedane arbeid in de benen weer op huis aan om daar rustig te wachten op de toewijzing van een telefoonnummer of de komst van een monteur. Wat zo maar eens kon oplopen tot een maand of zes zeven. Wat zeg ik…

Oké-oké. Er wáren nadelen.