Kneden

‘Ik wil kleien. Altijd al wil ik dat.’
Kleindochter Elin (3) is helder over het verlangen dat plotsklaps haar hoofd binnendruppelt. Dus wijst ze me op mijn verzoek waar ik de tas kan vinden vol kleurig uitgevoerde plastic potjes met spul dat klei heet maar volgens mij met slib uit de rivierbedding vrij weinig van doen heeft. Er is nog een tas, met hulpapparatuur om van de klei sliertjes, sterretjes, vierkantjes of rondjes te maken. Die wil ze ook, maar eenmaal op tafel schuift ze het hele assortiment vormen en persen direct weer opzij. Met een vraag, op zijn allervriendelijkst.
‘Opa? Wil je balletjes maken?’

Kinderklei oogt niet alleen totaal niet naar klei, het ruikt ook beslist anders dan een aangestampt Zeeuws aardappelveldje. Geen enkel probleem voor Elin die gemakkelijk uren in adoratie kan kijken naar filmpjes van kinderen die synthetische slijm in gifuitvoering in en uit potjes laten glijden, maar bij mij is de weeë chemiegeur toch altijd goed voor enige reserve.
‘Euhm… Ik dacht dat jíj met klei wilde?’
‘Ja, maar ik kan geen balletjes.’
‘Ah, oké.’
‘Weet je hoe je die moet maken? Gewoon zo rond en rond.’ Ze doet het toch tamelijk geroutineerd met twee draaiende handen voor en geeft mij dan een flinke homp klei in een onbestemd geworden kleuruitvoering. ‘Probeer het maar.’

Ik draai er, eenmaal over mijn geuraversie heen gestapt, keurige soepballetjes van en leg die op een rijtje voor haar neer. Zij pakt ze op, duwt mijn nette balletjes resoluut weer gezellig bij elkaar en begint met een wegdromende blik in haar ogen te kneden.
‘Weet je hoe je deze kleur maakt?’, vraagt ze ondertussen aan mij.
Het is een vraag maar ik hoef niet te antwoorden.
‘Met alle kleuren die je hebt. Die moet je heel lang mengen en dan wordt het deze. Die heb ik gemaakt omdat ik heel veel kleuren had en dat wilde ik niet meer. En toen heb ik er in een andere tijd deze kleur van gemaakt…’

Ze praat wel tegen mij, maar kijkt naar iets onbepaalds ergens in de verte terwijl ze met trage gebaren de zelfgeproduceerde groenbruine klei tussen haar vingers beweegt en beweegt.
‘Deze kleur vóelt zo lekker’, zegt ze dan, wat zachter.
‘Weet je waarom? Omdat ik hem heel lang heb gekneed. Eerst had ik een beetje gekneed en toen was hij een beetje lekker en toen heb ik nog meer gekneed.’
Ze doet het ondertussen voor, met zachte, zorgvuldige handen.
‘Zo!’, besluit ze dan, als bij de tik van een chronometer die zij alleen ziet. ‘Nu mag je het wel weer opruimen!’