Op het opabankje

Tekenen

‘Opa, hélp mij!’ en ‘Opa, kijk!’
Het zijn zo’n beetje de laatste sporen van het Nederlands die kleinzoon Jonas (randje van 4), geboren en getogen in Noorwegen, nog machtig is. Een half jaar geleden konden we nog rustig de wereld in het Nederlands doornemen, van zijn kant vervrolijkt met melodieuze Noorse uithaaltjes. Nu, voor een vakantieweekje over, is zijn aanvankelijke meertaligheid verdampt en vervangen door een gemoedelijke babbelstroom onvervalst Noors, zonder overigens enige merkbare zorg of ik hem versta. Op die enkele momenten na dus, misschien omdat ze er voor hem nogal op aankomen.

Het ‘Opa, hélp mij!’ vooral bij stukjes smaolle lego die niet willen wat hij wil of bij weerbarstige deurtjes en motorkleppen van speelgoedauto’s. Het tweede als standaardafsluiting van een ritueel zonder woorden, van beide kanten. Ik kijk. Hij pakt een nieuw vel hvitt papir van de stapel die we even daarvoor uit de voorraadbak van mijn printer hebben gehaald, leunt een beetje achterover op zijn kinderkrukje, pakt de zwarte viltstift die hij al in de aanslag had gelegd en zet met enkele grote halen ogenschijnlijk vanuit een klaarliggend sjabloon de contouren neer van een nieuwe tekening. Daarna kiest hij speurend door de voorraadbakken een setje kleuren uit, af en toe onderbroken door een licht wanhopige kreet, ‘Opa! Gris!’, wanneer het er even op lijkt dat wat hem voor ogen staat niet voorhanden is. De gekozen stiften legt hij in strakke slagorde naast het werk in wording. Dan spreidt hij zijn bovenlijf en schoudertjes als de vleugels van een beschermengel over het vel papier en begint de uitgezette contouren in te vullen met details in kleur.

Terwijl hij werkt, doet zijn openstaande mond een dans op eigen houtje. Ik ken het van mijn grote broer als hij vroeger gitaar speelde, die onwillekeurige beweging van zijn lippen. Niet op de maat of als geprevelde muziek, eerder een begeestering die aan taal ontstegen de volgende stap influistert. Jonas slist er af en toe even bij, vanwege het vocht van de concentratie dat zich ophoopt denk ik.

Lang duurt het allemaal niet, een uitgerekt minuutje misschien. Dan leunt hij achterover, kijkt met een scheef hoofd naar hoe het resultaat er op papier uitziet, grijpt met een plotselinge beweging nog een keer naar een stift uit het klaargelegde rijtje, zet ergens een laatste punt of een welgemikt streepje, keurt nog een keer van een afstandje, zucht, pakt het papier op, draait zich met uitgestoken arm naar mij toe. En zegt het. Heel rustig. Constaterend.

‘Opa, kijk!’

Dit is wat ik bedoelde.