Op het opabankje

Logeren

Het is vakantie, dus mag kleindochter Elin (3) kiezen. Naar de dierentuin, samen naar het park en daarna naar de Hema, de belichaming van een van haar grootste verlangens, of een dagje spelen bij opa en oma. Haar mama legt haar de keuzes voor, maar zij ziet voor zichzelf een heel andere route en belt mij direct op met haar besluit.
‘Ik wil bij jullie slapen’, roept ze zonder voorafgaande plichtplegingen als wie met wie spreekt.
Ik vind het dapper en zeg haar dat ook, waarop zij, naar verslag van haar thuisfront, direct de straat op rent om naar Delft af te reizen.

Dat moet toch echt nog een nachtje wachten, maar dan staat ze ook vanaf de vroege ochtend klaar met één tas op haar rug en één op haar buik, tot strak aan de rits vol knuffels en kleren als houvast bij haar eerste overnachting op eigen kracht. Een uitdaging waar ze zich met groot enthousiasme op stort. Alles wat we hebben, vindt ze op voorhand lekker, vertelt ze nog voor de trein haar woonplaats heeft verlaten. Als er geen melk is, vindt ze melk niet lekker en als er geen sap is, vindt ze sap niet lekker.
‘Dus vind ik altijd iets lekker’, rondt ze haar zelfontworpen smaaklogica voor me af.

De praktijk van het avondeten wijkt iets van haar zonnige logeerzelfbeeld af, want de kip met mais die eerst nog zo lekker als de wereld was, wisselt ze al snel in voor haar met vooruitziende blik zelf meegebrachte trommeltje vol kunstig verbrokkelde stukjes eierkoek. Knap bedacht, denk ik nog, als ik haar gezicht zie betrekken en ze me na enig aandringen met nauwelijks bedwongen tranen meldt dat de klodder mayonaise die ik er op haar verzoek had bijgeleverd ‘niet naar mijn eigen smaakt’.

Maar eenmaal met een voorleesboekje in het grote bed en de buitendeur op haar verzoek stevig op slot (‘dat er niemand binnenkomt’), redt ze zich weer uitstekend en wil ze eigenlijk vooral weten wat ik daar nog steeds doe, na twee verhaaltjes een tikje uitgeteld op het kussen naast haar.
‘Ik wacht tot je in slaap valt.’
‘Dat hoeft niet. Ik ben al in slaap gevallen.’

Na een tijdje klopt dat en schuif ik pas als het buiten echt donker is geworden weer bij haar aan. Wakker vooral, hoe kan het anders en dus erbij als ze tot twee keer toe heel dapper zelf naar de wc gaat (‘je hoeft niet mee’). En als ze even later snikkend rechtop in bed zit en vraagt waarom het opeens zo donker is, waarna ze zonder iets van een antwoord af te wachten terugdraait in de armen van haar pluchen pinguïn. En als ze, weer een uur of wat later, zonder haar droom te verlaten huilt en hardop roept. ‘Mama!’

Maar dus ook als ze ’s morgens, na eerst met haar armen en benen in vertederende zigzags te hebben gelegen, zich uitrekt, naar buiten kijkt en met een flonkerende lach naar het zonlicht kijkt dat langs de gordijnen prikt.

‘Opa kijk! Het is dag geworden!’