Op het opabankje

Vrienden

‘Alles komt goed.’ Zo vaak zeg ik het misschien niet wanneer ik een pasgeboren baby ontmoet, maar het voelt wel altijd zo. Het is blijkbaar wat een baby in mij wakker roept. Door de vaak wat zorgelijke frons wellicht, vooral vlak na de geboorte. Of door die kleine handjes, voor het gezicht gedrukt in een gebaar van wat overkomt me nu? ‘Stil maar, wacht maar.’ Ik zong het voor mijn kleindochter Sophie (1) toen ze nog een baby was en mijn schouder kon verdrinken in rivieren van wanhoop omdat die voedende moeder zomaar uit beeld was gefietst.

En dan bijna ongemerkt gebeurt het. Ik besef het pas later, als de grote stap al is gezet. Sophie is, zoals haar grote zus niet nalaat te benadrukken, nog steeds maar een dreumes. Een krummeltje dat een meter omhoog moet kijken om te zien waar ik verkeer. En toch is het onmiskenbaar gebeurd. Ik zie het wanneer we samen oefenen op gekke geluiden maken. Klakken met je tong, scheten laten tussen je lippen. Soms lukt het. Ik zie het als ze ontzettend haar best doet om in het ritme van het liedje dat ik voor haar zing de gebaren te maken die erbij horen. Klap eens in je handjes, trappel eens met je voetjes. Vol concentratie.

Ik zie het vooral direct ná zulke momenten. Als ze één schoudertje omhoog doet en haar neusje in een uiterst vermakelijke lachplooi trekt. De stap is gezet. De stap van ‘voed mij, red mij’ naar ‘wat hebben we een lol samen hè?’
Alles is goed.