Op het opabankje

Zelf

Kleindochter Elin (3) heeft een grote voorliefde voor dingen zélf doen. Dus wanneer ik met drie kleinkinderen in de bakfiets naar hun huis rijd, besluit zij op een paar straten van ons reisdoel dat ze er op haar eigen benen heen wil lopen.

Dat kan en ik stuur de stoep op om haar uit te laten stappen. Even kijkt ze haar grote broer en kleine zus aan als een wereldreiziger bij wie op het punt van vertrek opeens de twijfels in de benen zakken. Maar dan klimt ze uit de bakfiets en vraagt me hoe hard ze moet lopen.
‘Niet te hard, hoor meid. We blijven bij je.’
‘En als de straat stopt?’
‘Op mij wachten, dan steken we samen over.’

Daar gaat ze. Eerst met een soort halve huppeltjes (‘Kijk eens wat ik kan!’), dan even rennend, maar al snel met haar kleine beentjes een voor een op de goede tegels die ze, aan haar aarzelende stappen te zien, eerst zorgvuldig uitzoekt. Haar grote broer Liam (5) hangt ondertussen over de rand van de bakfiets als een wielercoach in zijn volgauto en waarschuwt haar voor een prullenbak vlak naast haar en een lantaarnpaal verderop.

Ze doet het zo keurig, dat ik besluit haar bij de naderende rotonde een zinloze omweg te besparen. Beschermd door de bakfiets laat ik haar over het zebrapad vast naar de andere kant gaan. Daar staat een lantaarnpaal, die ik haar vraag goed vast te houden.
‘Dan rijden wij een rondje en komen weer bij jou uit.’
Ze knikt en pakt met twee handjes de paal vast.

Ik stuur de bakfiets van haar weg, het asfalt weer op. Voor een rondje van niks in mijn beleving, maar nu ik daar zo fiets en haar steeds kleiner aan die grijze paal zie staan, groeien de afstanden. Ik roep, telkens. Zoals een bezorgde futenvader die met luid gepiep zijn pluizige kroost over het wijde water gidst.
‘We komen, Elin! Gewoon blijven staan. We maken een rondje!’

Ik zie haar steeds benauwder kijken en bedenk, op het moment dat verdergaan de enige optie is, dat ik dit niet had moeten doen. Dus roep ik nog wat harder (‘We komen naar je toe!’) en blijf haar recht aankijken terwijl ik de ronde afmaak en meteen het zebrapad met de bakfiets blokkeer om haar veilig te laten oversteken. Dat doet ze.

We zuchten allebei als ze na de zebra op haar eigen stoep staat. Bekend terrein.
‘Wat knap, meid’, zeg ik.
‘Ik heb het gered’, knikt zij tevreden.
En sprint er vandoor, richting huis. Ik moet snel in de benen om haar bij te houden.