Op het opabankje

Praten

Kleindochter Sophie (1) is er opeens mee begonnen. Tot de dag van gisteren was haar woordenschat beperkt tot één woord. Ja! Luid uitgesproken, stevige knik van haar koppie erbij. Geen twijfel mogelijk.
‘Wil je een boterham?’
‘Ja!’
Elke andere vorm van eten krijgt trouwens hetzelfde antwoord, altijd.
Maar ook gegarandeerd: ‘Gaan we naar buiten?’
‘Ja!’, gevolgd door een spurtje naar de gang waar ze zelf al vast haar schoentjes uit het rek opdiept en haar jas achter zich aan richting kamer sleept. ‘Ja!’

Maar nu is het vandaag en opeens is alles anders. Ik merk het pas als ze het gebruikelijke gescharrel in haar speelgoedkeukentje onderbreekt, recht voor me komt staan en, ik zou eigenlijk willen zeggen tegen me begint te praten. Wat niet zo is, maar ik weet geen andere woorden. De toon klopt namelijk. De blik ook. De gebaren. De lengte van haar conversatie: het is duidelijk een mededeling. Alleen, het zijn geen woorden. Zelfs in de verste verte niet. Het klinkt meer als het borrelen van een half verstopte afvoer tijdens een flinke regenbui.

Later diezelfde dag merk ik dat ze deze kunst in alle toonaarden beheerst. Trots, op de glijbaan waar ze, ook sinds kort, helemaal alleen af durft. Boos, omdat ze bij het eten van een gezamenlijk bordje cake in ons vaste koffiecafé het hele bordje niet eens voor zichzelf mag hebben. Ongeduldig van schiet nou eens op, bij het luier verschonen. Opa kom eens gauw kijken, bij haar ontdekking dat de kat op het randje van het balkonhek met zoekende pootjes gevaarlijk loopt te doen.
‘Tieliedelie, blubberdiebla!
Met wijzen erbij en weer terug naar mij om te zien of ik het begrepen heb.
‘Bladieblur rrruuuplop!’

Eerst dacht ik: ze oefent. Maar zo ziet het er helemaal niet uit. Ze is er al.