Op het opabankje

Monsters

‘Je hoeft niet mee, ik kan het alleen’, roept kleindochter Elin (3) wanneer ze na een eerste ‘oh!’ een klein spurtje maakt naar de wc. Het gaat eigenlijk altijd goed, dit keer ook. En ze wil het, zoals vrijwel alles in haar leven, zelf doen. Ik mag in de kamer bij haar kleine zusje blijven. Geen hulp van grote mensen nodig. Wel graag de deur naar het halletje én naar de kamer open.

Maar dan toch.

‘Soms zegt Liam – haar grote broer – dat er iets achter de wc-deur zit wat niet zo is’, roept ze naar me vanaf de bril waar ze, stel ik me zo voor, met bungelende beentjes op zit.
‘Maar dan ben ik toch bang’, komt er met een wat kleiner stemmetje achteraan.
‘Waarvoor ben je dan bang?’ vraag ik vanuit de kamer.
‘Monsters’, zegt ze, op zo’n constaterende toon van moet ik nou alles uitleggen?
‘En dan?’, vraag ik.
‘Dan doe ik mijn handen voor mijn ogen. Want dan bestaan ze niet’, legt ze uit.
‘En? Helpt dat?’
‘Nee’, roept ze een beetje verdrietig vanaf haar plekje waar ze, met uitzicht op tegels en de kraan, dapper alleen zit.
‘En dan?’
‘Dan roep ik mama. Als die komt, zijn ze weg.’

Daarna is het stil.

‘Zal ik even komen, Elin?’, vraag ik.‘
Ja, doe maar’, klinkt het. Met een zucht.