Op het opabankje

Bakker

Mijn opadag is verschoven en onze gebruikelijke aanlegplaats voor koffie, limonade en cake is gesloten. Dus gaan we, zoals kleindochter Elin (3) het noemt, naar de bakkermevrouwen.

Het zijn inderdaad wat je noemt mevrouwen, die met uniforme schorten en glimlachen achter hun blinkend uitgelichte toonbank staan. Elin heeft nog voor de zoef van  de glazen schuifdeur hun handelswaar al gespot en haakt direct na binnenkomst bij mij en haar kleine zusje Sophie (1) af om zich strak voor het glimmende glas te posteren waarachter gebakjes in slagorde zijn opgesteld. Ze kijkt en wijst. Als een fietsliefhebber die met carte blanche in zijn achterzak een showroom van Koga Miyata is binnengewandeld.

‘Opa! Kijk! Ze hebben gebak!’

Ze staart naar een vloedgolf chocola die neerdaalt vanaf de top van een moorkop, zomerse aarbeitjes die gevat in doorzichtige gelei op zachte cake balanceren, slagroomtoefjes als de paleistorens van de prinses uit Mario Bros, zachtroze marsepein gedrapeerd over kruimig deeg met room en daarachter een mevrouw met oorbellen alsof ze zelf een gebakje is, die al het moois en kleurigs nog eens tevoorschijn tovert in de glanzend gepoetste glazen van haar bril.
‘Eh… Wij nemen cake, Elin’, probeer ik haar dromen te onderscheppen.

Het zilveren bestek dat we erbij krijgen is niet helemaal aan haar besteed. Net zo min als het hoge glas waarin maar liefst drie kleuren limonade rondwolken, afgetopt met een schijfje sinaasappel.
‘Ik hou niet van citroen’, concludeert ze met een achterdochtige blik op al die luxe.
‘Dat is geen citroen, het is sinaasappel. Proef maar.’
‘Dan hou ik ook niet van sinaasappel’, besluit ze.

Wel van cake gelukkig, die ze met twee handen tegelijk in een ommezien naar binnen werkt. Waarna ze snel weer terug glipt naar de toonbank. Wanneer ik daar even later met kleine zus Sophie ook heen kom om af te rekenen, staat Elin in aanbidding voor een verschijning waar zelfs de gebakvitrine lichtjes bij verbleekt: een draaimolen van spiegelende schijven glas die volgetast met bonbons trage cirkels voor haar opengesperde ogen draait. Donkerbruin, lichtbruin, wit, nootjes erop, accenten van uitgedropen chocola, ragfijne strooisels als versiering. Ze zucht er van.

‘Ik heb nog zóóóó’n honger’, zegt ze terwijl ik probeer de pinbetaling af te handelen zonder tussenkomst van de vingertjes van Sophie.
‘Hónger?’ vraag ik.
‘Ja’, zegt ze met wankele stem, ‘in dingen van de bakker. Altijd al.’