8. Zaterdag 18 juli
10.37 uur
Voor het eerst slaap ik echt uit. Daarna ontbijt ik in het restaurant van de jeugdherberg met zalm en kaviaar.
Ik overweeg nog even om Haparanda en Tornio te bekijken, maar de paar straten die ik doorrijd op zoek naar een betaalautomaat brengen alleen maar een verlangen om flink gas te geven. Het is keurig en schoon, met veel tegels en aluminium. Te keurig.
11.24 uur
Op de weg naar het zuiden, richting Luleå en Umeå, zie ik de plattelandse tegenhanger van die keurigheid. De weg is breed, de mensen gedragen zich netjes, de bermen lijken wel aangeharkt en daarachter beginnen de dennenbossen. Glooiend en zonder einde. De gele bordjes die in het noorden waarschuwden tegen rendieren en elanden, dragen hier de afbeelding van een paard en ruiter. En de benzinestations zijn anders. Ook hier is de verkoop van benzine een bijrol, maar in het noorden was het benzinestation onderdeel van een plaatselijk ontmoetingscentrum. Houten tafels, gebraden worstjes en wagens met open laadbakken die alleen maar binnenreden voor een krantje en om in een stofwolk weer te kunnen vertrekken. Hier is de bensin het verlengstuk van de plaatselijke supermarkt. Je kunt er je boodschappen doen, met een karretje of een plastic mandje. Je kunt bananen of appels afwegen op een elektronische weegschaal. Je kunt kiezen uit tien soorten luiers en twintig soorten maandverband. Maar als je om een kaffe vraagt, kijkt de mevrouw achter de toonbank je aan alsof ze de politie wil bellen. Wat waarschijnlijk nog waar is ook.
12.10 uur
Ik merk dat ik bij iedere parkeerplaats die ik tegenkom, uitkijk naar de Belgische jongen en zijn vriendin op hun XZS Super Sport. Tussen Lakselv en Karasjok in Finnmark was er gisteren een ongeluk gebeurd. Ik had even daarvoor langs de weg een blikje fris gedronken en uitbundig naar ze gezwaaid toen ze langskwamen. Een half uur later kwam een ziekenauto me tegemoet. Op een kruispunt waar ik daarna overheen reed, veegden mannen in oranje pakken glasscherven aan de kant. Ik had moeten stoppen en vragen wat er aan de hand was. Ik reed door. En sindsdien zoek ik naar ze. Omdat ze zo aardig waren en omdat ik zo graag zou willen weten dat niet zij het waren die bloedend achterin die ambulance lagen.
Ik bedenk ook dat ik wel graag de wereld rond zou willen trekken om een uitgebreide reportage te maken van het leven langs de weg. Niks geen aandacht voor cultuur en de plaatselijke bevolking, uitsluitend een beschrijving van de benzinestations, hotels en campings vlak langs de weg. Ik werp me op als reporter, desnoods schaamteloos gesponsord door een groot benzinemerk. Wat mij er niet van zal weerhouden om op te merken dat ik bij Q8 het mooiste benzinestation ooit tegenkwam. De koffie was op, maar er werd onmiddellijk nieuwe gezet en omdat het zo gênant was dat ik daarop moest wachten, mocht ik plaatsnemen in de speciale chauffeurslounge. Als ik wilde kon ik ook een douche nemen en bij de koffie kon ik kiezen uit wel vijf soorten bulle. Met chocola, met nootjes, met suiker en kaneel, gewoon naturel, of met een hard roze laagje er overheen. De worstjes waren de afgelopen 4.000 kilometer bij Shell het beste. Altijd een keuze uit gekookt, geroosterd, of geroosterd met een lapje spek erom en ook nog eens de mogelijkheid dit te combineren met een wit broodje of een volkoren. Bovendien hadden de jongens en meisjes achter de toonbank allemaal een frisse, geel-rode pet op.
Het minst enthousiast ben ik over het Noorse Stat Oil. De enige keer dat ik de pest aan een Noor had was bij een benzinestation van dit merk. Ik was er even voor achten. Evenals de eigenaar/franchisehouder/bediende, of wat het ook was. Hij had in ieder geval een gestreept schort voor en stond achter de toonbank, maar de deur was afgesloten. Ik hoefde geen benzine, ik wilde mijn go morgen en een kop koffie. Dus klopte ik beleefd aan, maar die streepjes-Noor deed net of hij het niet hoorde. Ik klopte nog een keer. Ondertussen haalde hij heerlijk warme bulles uit een oventje. Mij keurde hij geen blik waardig. In plaats daarvan schikte hij zorgvuldig de warme broodjes achter het glas van zijn toonbank. Ik had honger en bonsde op de deur. Hij keek niet op of om. Toen kreeg ik er zo godsgruwelijk de pest over in dat ik mijn motor startte en luid claxonnerend een paar rondjes vol gas door zijn stationnetje ben gescheurd. Toen keek hij eindelijk op, maar ik had inmiddels geen interesse meer. Sindsdien tank ik alleen nog maar bij Stat Oil als ik echt niet anders kan.
En die reportage maak ik dan natuurlijk samen met een fotografe. Ze heeft lieve ogen, lacht veel en het praten met haar voelt zo vertrouwd aan. Ik word onderweg vreselijk verliefd op haar. En zij op mij.
13.16 uur
Ik sta bij een benzinestation en bel met de BMW-dealer in Nederland om te informeren naar de koelvloeistof. Het peil blijft telkens net boven het minimum, maar als het opeens verder daalt, wil ik weten wat ik moet doen. Vreemd om in Lapland over de mobiele telefoon een doodnormaal zaterdagmiddaggesprek met je BMW-monteur bij het Prins Clausplein te voeren. Voor mij maakt het in ieder geval een eind aan mijn rampenfantasieën. Gestrand langs de E4, waar ik mijn tentje opzet en dagenlang moet wachten tot de plaatselijke garage uit Duitsland een flesje koelvloeistof heeft laten overvliegen. Of een andere variant, met een lokale automonteur die geen woord Engels spreekt. Hij kijkt me met niet begrijpende lodderogen aan en mompelt iets van kölvløstøf. Vervolgens pakt hij een flesje dat al twee jaar over zijn verstrijkingsdatum heen is en waarvan de inhoud eigenlijk in een tractor thuishoort. Ik weet dat het fout zit, maar ik blijf evengoed vriendelijk lachen en betaal de astronomische rekening. Het geld propt hij gniffelend in het borstzakje van zijn vettige overal. Ik heb geen andere keus dan het er op te wagen. Waarna enkele kilometers verderop mijn K100 onder luid gekraak van vastlopende tandwielen tot stilstand komt.
Zie je het ergens weglekken? vraagt de monteur uit Leidschendam. Nou, nee. Hoe snel daalt het peil? Tja, eigenlijk weet ik niet eens zeker óf het wel daalt, besef ik nu. Hij raadt me aan me er verder geen zorgen over te maken en als de nood aan de man komt iedere willekeurige koelvloeistof te gebruiken die ik krijgen kan. Zoiets als die Zweedse monteur dus, maar ik hoor het toch liever van een vertrouwde stem uit Nederland.
14.34 uur
De weg langs de oostkust van Zweden is de droom van iedereen die op wil schieten: rustig, breed, recht en goed onderhouden. Ik vind er niets aan. Na het ongeregelde boeltje in Noorwegen is het me allemaal wat te keurig. De zee, waar ik graag langsrijd, is nergens te zien. Bovendien hoef ik helemaal niet op te schieten want ik heb tijd genoeg. Ik wil zelfs helemaal niet opschieten, want wat ik zou moeten doen wanneer er niet gereden hoeft te worden, weet ik eigenlijk niet zo goed.
Daarom doe ik een dappere poging om een stadje te bekijken en sla bij Piteå af van de E4 die ik langs de kust volg. Ik rijd over een viaduct de weg weer over en volg dan een kilometer of wat een smal asfaltweggetje. Het is de eerste keer dat ik verder dan honderd meter van mijn route afwijk en ik voel me echt een sightseer. Als Piteå een leuk stadje blijkt, ga ik er uitgebreid rondlopen, rondneuzen in winkels, een kerkje bekijken en dan vanavond ergens lekker eten. Na een paar laatste bochtjes tussen de dennenbomen door, rijd ik Piteå binnen. Ik volg het bord centrum en ben daar ook vrijwel onmiddellijk. Het is een rechte straat van een honderd meter lang, met een supermarkt, een bank, een grillbar en een bakker. Ik rijd er met de motor langs en ontdek ook nog een kerkje. Aan het eind van de straat draai ik om en rijd weer terug. Weer bij het begin gekomen, neem ik op de plek waar het bordje centrum staat de andere richting. Ik rijd door een paar rustige straten met vrijstaande huizen. Ze zien er nieuw en keurig uit. Net als de tuinen er omheen. En dan is Piteå op. Rietlanden en bossen en daarachter de Botnische Golf. Ik keer de motor en gaf gas. Terug naar de E4.
Wanneer ik even later een parkeerplaats oprijd om wat chocolate chip koekjes te eten en sinaasappelsap te drinken, komen over het pad dat vandaar de bossen in gaat twee elanden op mij af lopen. Eerst sta ik een beetje afwezig te kijken. Goh, dat lijken wel elanden. En dan opeens besef ik hoe ongelooflijk dit is. Op klaarlichte dag, terwijl je normaal urenlang heel stilletjes in de schemer moet zitten wachten. Toen we een paar jaar geleden met het hele gezin in Zweden waren, hebben we dat gedaan. Urenlang turen, tot ieder struikje leek te bewegen en elke mus of merel een vos of erger werd. En eindelijk zagen we er een. Jaja, ik zie hem, ik zie hem, riep de een na de ander. En nog voor iedereen hem in de gaten had, was er al niets meer te wijzen. Hij was weg. Als een beeld in een droom was hij gekomen en weer verdwenen. Er ging een zucht door de auto. We hebben er een gezien. Onderweg naar de camping groeide zijn formaat en eenmaal terug in Nederland werd hij op straat beschreven als een bescheiden formaat ijstijdmammoet. Het was ook lastig te zeggen in de schemering.
Nu staan er twee mij verbaasd aan te staren. Ze zijn groot. Een fors formaat paard, maar dan wat knokig uitgevoerd en daar bovenop een breed en grofgebouwd gewei. Langzaam begint het tot mij door te dringen hoe bijzonder deze ontmoeting is en voorzichtig loop ik naar de motorfiets om mijn fototoestel te pakken. Maar mijn bewegingen hebben de betovering bij de elanden verbroken. Met het toestel in mijn hand zie ik hoe ze schielijk omdraaien en het bos in galopperen. Ik kijk door de zoeker en druk een paar keer af. Maar het resultaat weet ik eigenlijk nu al. Schemering. Hoe ze er precies uit zien, is lastig te zeggen. Misschien als een ijstijdmammoet.
17.25 uur
Ik zit voor mijn tent in het zonnetje op een camping in Bureå, een kilometer of honderd boven Umeå, de grootste stad in een straal van enkele honderden kilometers. Morgen wil ik dan eindelijk iets cultureels gaan doen: Umeå bekijken, misschien zelfs een kerk binnenlopen. Hier in Bureå zal dat niet erg lukken. Nieuwsgierig geworden door aanplakbiljetten bij de kiosk die dienst doet als campingkantoortje, ben ik naar het stadje gelopen. Op een paar straten na, bestaat het uit een pleintje met een benzinestation annex supermarkt. Naast het benzinestation is een blinde muur met een luik erin. De Bureå-Grill, die bij de camping stond aangekondigd. Het luik was dicht. Daar weer naast is een soort café met een houten terras er voor. De borden meldden een pizzeria, maar het lawaai en de cliëntèle die verveeld op houten stoelen hing, deden meer aan het plaatselijke jeugdhonk denken. Verder is er een bank (gesloten), een bloemenwinkel (gesloten), een videotheek (ook gesloten), nog een supermarkt en een rijtje geparkeerde Volvos. Ik was eerst van plan in de stad uit eten te gaan, maar besloot bij deze aanblik toch maar liever voor mijn tentje iets te maken. De supermarkt had er genoeg heerlijks voor in huis. Ik kocht een pond gerookte zalm in dillesaus voor nog geen tientje, een soort matze-achtig brood, een stuk chocoladekleurige Deense kaas en twee blikjes Åbro lat øl. Licht bier. Echt bier krijgen we over ongeveer een jaar, vertelde de eigenaar mij trots.
Wanneer ik het allemaal probeer op te eten, blijkt het veel te veel. Maar het smaakt overheerlijk. De gerookte zalm is niet zoals bij ons in dunne plakjes gesneden, maar gewoon aan een homp. Met mijn zakmes snijd ik er telkens een stukje vanaf en leg dat op het matzebrood. Wegspoelen met Åbro lat øl en je vraagt je af waarom je in het leven nog ooit iets anders zou doen.
19.14 uur
Na het eten loop ik een rondje over het terrein. De camping is zeer keurig en vrijwel leeg. Op het tentengrasveld staat niemand, behalve ik. Van het rijtje roodgeschilderde stugas is er één bezet door een Duits echtpaar. Daarnaast staat een caravan met Zweeds nummerbord, maar bewoners zijn nergens te bekennen. De douches zijn kraakhelder. Net als de keuken, die in Scandinavië op alle campings tot je beschikking staat, inclusief gasstel, magnetron en koelkast. Een dromerige werkstudent heb ik alles inmiddels al twee keer schoon zien maken, terwijl er nauwelijks iemand is om vuil achter te laten. Wanneer hij klaar is met zijn schoonmaakronde, bergt hij met trage gebaren zijn emmer, bezem en dweil achter een deur met privat erop. Daarna sloft hij weer terug naar de kiosk. Aan de zijkant opent hij een houten deur en even later komt zijn hoofd tevoorschijn achter het openstaande schuifraam. Links van hem hangt het plakaat van Bureå-Grill, rechts de prijslijst van de camping. Hij pakt zijn boek, leest, en wacht op klanten en op de volgende schoonmaakronde.
Terwijl ik over wat water staar dat waarschijnlijk de Botnische Golf is, maar meer wegheeft van de Vinkeveense plassen, bel ik Arnoud. Hij heeft het prima naar zijn zin. Op de achtergrond hoor ik stemmen en muziek en eigenlijk wil hij ook wel graag ophangen.
Ik overweeg nog even om zo maar eens wat mensen te gaan bellen. Kwestie van wat toetsjes indrukken. Of misschien belt Arnoud nog terug, dat er toch net nieuws van zijn broer en zus is gekomen. Ik wacht een kwartier op de bevrijdende piepjes. Dan probeer ik mijn ouders, maar daar wordt niet opgenomen. Ik wacht weer een kwartier en doe dan de telefoon uit. De kookspullen had ik thuis kunnen laten, bedenk ik, en in plaats daarvan een boek meenemen. Je kunt hier over het water staren en bedenken dat het er uit ziet als een Biesbosch van honderden kilometers. Je kunt naar het stadje lopen en op het terras van het jongerencafé annex pizzeria gaan zitten. Je kunt in het benzinestation nog zon lat øl gaan halen. Maar dan heb je het wel gehad. Ik blijf maar op de camping. Mijn kleren heb ik de vorige avond in de jeugdherberg gewassen, anders had ik het in de volledig uitgestorven wasruimte hier kunnen doen, met een wasmachine, droger, waslijnen en een aankleedtafel om een vijfling op te verschonen. Alles brandschoon.
Ik neem uitgebreid de tijd voor een douche, zwaai naar de werkstudent in zijn kiosk en kruip in mijn slaapzak. Het is nog vroeg en volledig licht. Het zal later worden, maar dat licht zal blijven. Evengoed val ik na een paar uur af en toe in slaap. Tussendoor maak ik me kwaad op haar. Iemand met ook maar een greintje gevoel voor mij, zou er voor zorgen dat ik in ieder geval wist waar mijn kinderen zijn en hoe het met ze gaat. Of waar ik ze kan bereiken als er iets zou zijn. Ik staar naar het lichte doek van de tent.